Jouw TIG lasapparaat instellen
Je hebt net je nieuwe TIG lasapparaat uitgepakt. Klaar om te gaan lassen. Moet je hem alleen nog wel instellen. Maar welke instellingen heb je nu eigenlijk nodig en wat betekend alles op jouw lasapparaat eigenlijk? Uiteraard is het aan te raden de handleiding door te lezen. Maar wij leggen alle in te stellen onderdelen op jouw TIG-lasmachine kort voor je uit.
Instellingen
Iedere TIG-machine werkt in de basis volgens het diagram hieronder.
Lastoortsen hebben twee bedieningsmodi: 2T en 4T. Het verschil zit in de werking van de schakelaar. In de 2T-modus houdt u de schakelaar ingedrukt tijdens het lassen. In de 4T-modus druk je de schakelaar in en laat deze los om het lassen te starten of te stoppen. Hieronder leggen we uit welke lasinstellingen je kan instellen.
A: Voorgas / pre-flow
Hiermee bepaal je hoelang het gas al door het slangenpakket en de toorts moet stromen, voordat er stroom op de toorts komt te staan. Des te langer je slangenpakket is, des groter de voorgastijd moet zijn. Het eerder laten stromen van het gas zorgt ervoor dat als je begint met lassen je smeltbad al beschermd is met beschermgas.
B: Startstroom
De startstroom is een aanzienlijk lage stroom. Hierdoor kan er nauwkeurig en met een lage stroom een lasboog worden gestart. Hierdoor is er meer controle over de lasboog dan met een hogere stroom.
C: Up slope
Hier stel je de tijd in die nodig is om van de startstroom naar de piekstroom te gaan. Voor dunnere materialen stel je een hogere up slop in om kraters te voorkomen en spanningen te verminderen. Een lagere up slope gebruik je voor dikkere materialen, sneller starten van de las, en minder warmte-absorberende materialen. De juiste up slope hangt af van materiaal, dikte en lasomstandigheden. Experimenteren helpt om de optimale instelling te vinden.
D: Piekstroom
Op deze stroom wordt er gelast. De hoogte van deze stroomsterke hangt af van de materiaaldikte. Hier kan een richtlijn worden gehanteerd van ongeveer 45 ampère bij elke mm materiaaldikte.
E: Down slope
Hier stel je de tijd in die nodig is om van de piekstroom naar de eindstroom te gaan. Voor dunnere materialen stel je een hogere down slop in om scheuren, vervormingen en kraters te voorkomen. Een lagere down slope gebruik je voor dikkere materialen, snel beëindigen van de las, en minder warmte-absorberende materialen. De juiste down slope hangt af van materiaal, dikte en lasomstandigheden. Experimenteren helpt om de optimale instelling te vinden.
F: Eindstroom
De eindstroom wordt toegepast om aan het einde van een las voor korte tijd een lage lasstroom te gebruiken. Dit helpt bij het verminderen van lasdefecten door het voorkomen van eindkraters die kunnen ontstaan wanneer de las abrupt eindigt. Door de lasstroom geleidelijk te verlagen en met een lagere stroom de las te beëindigen, krijgt het gesmolten lasmetaal de tijd om langzaam af te koelen en zich gelijkmatig te verdelen. Hierdoor wordt het risico op kraters, scheuren en andere lasfouten verminderd, wat leidt tot een betere kwaliteit van de lasverbinding.
G: Nagas/ Post flow
Hiermee kan de tijd worden ingesteld zodat het beschermgas blijft stromen nadat de boog is gedoofd. Dit zorgt ervoor dat het hete metaal na het doven van de boog niet in aanraking komt met lucht, waardoor zowel de las als de elektrode worden beschermd. Deze functie wordt gebruikt voor alle metalen, maar vooral roestvast staal en titanium vereisen langere nagastijden.
Pulserend lassen:
Pulserend TIG lassen wordt toegepast bij verschillende materialen, zoals roestvrij staal, aluminium en titanium, vooral wanneer hoge laskwaliteit en nauwkeurige controle vereist zijn. Het gebruik van pulserend lassen kan de laskwaliteit aanzienlijk verbeteren, vooral bij lastige lasposities en materialen die gevoelig zijn voor warmte-inbreng.
H: Basisstroom
Bij het lassen met pulserende stroom wisselen de stroomsterkte en spanning continu tussen een lage basisstroom (H) en een hogere piekstroom volgens het ritme van de pulsfrequentie. Tijdens een hoge pulsstroom ontstaat er een inbranding in het basismateriaal, waardoor een puntvormig lasbad wordt gevormd. Bij een lagere basisstroom begint het lasbad aan de randen te verharden totdat de volgende stroompuls het opnieuw smelt en vergroot.
I: Puls ratio
Deze verhouding wordt uitgedrukt in procenten. Het geeft aan hoe lang hij in de piekstroomlast ten opzichte van de basisstroom.
J: Frequentie
De frequentie bepaalt het aantal keer per seconde dat de lasstroom wisselt tussen de basisstroom en de piekstroom.
Een nadeel is dat de lassnelheid bij pulslassen aanzienlijk moet worden verlaagd. Daarnaast kan de lasser de lage frequentiepulsen als storende flikkeringen van de vlamboog ervaren.